Citaat | Hoge Raad 28 april 2000

Alinea 51 Hoge Raad 28 april 2000

Een alinea uit Hoge Raad 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5650.

Na verwijzing zal de rechter moeten beoordelen of en tot welk bedrag de vordering van [eiser] voor toewijzing vatbaar is. Daarbij zal die rechter, nu partijen omtrent de aard en strekking van de ADV-regeling in de feitelijke instanties niets hebben aangevoerd, ervan uit moeten gaan dat het ook in het onderhavige geval gaat om een ADV-regeling die in het leven is geroepen om het verlies van arbeidsplaatsen tegen te gaan en nieuwe arbeidsplaatsen te creëren en niet om een regeling die, zoals de vakantieregeling, ten doel heeft de werknemer in verband met de werkbelasting die op hem drukt, betaald verlof te verschaffen. Nu partijen nog geen rekening hebben kunnen houden met evenvermeld arrest van de Hoge Raad en het blijkens rov. 3.3 van dat arrest niet geheel uitgesloten is te achten dat een ADV-regeling wordt overeengekomen waarbij de korte verjaringstermijnen van art. 1638ll wel van toepassing zijn, staat het Tebecon evenwel vrij na verwijzing feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit valt af te leiden dat zulk een geval zich hier voordoet.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/86148c8d410ac257367b654b05d2a4a73717424a2aa73e516cd0b36cbfeeef18. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 86148c8d410ac257367b654b05d2a4a73717424a2aa73e516cd0b36cbfeeef18, en de alinea staat in dat document op bytes 14106 tot 15181.