Citaat | Hoge Raad 28 april 2000
Alinea 52 Hoge Raad 28 april 2000
Een alinea uit Hoge Raad 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5650.
3.5Blijkens rov. 3.6 van het tussenvonnis van 5 december 1995 heeft de Rechtbank onder meer overwogen dat [eiser] zich op het standpunt stelt dat de aan hem door Tebecon verschuldigde vergoeding voor niet genoten vakantiedagen en niet benutte roostervrije dagen voor verrekening in aanmerking komt. Door vervolgens in rov. 2.3 van haar tussenvonnis van 7 mei 1996 in aansluiting op haar oordeel dat de eventuele vorderingen van [eiser] te dier zake zijn verjaard, ten aanzien van dat beroep op verrekening slechts te oordelen dat ook het beroep van [eiser] op art. 6: 131 BW hem in dit kader niet kan baten, heeft de Rechtbank òfwel miskend dat ingevolge art. 6:131 lid 1 BW de bevoegdheid tot verrekening niet eindigt door verjaring van de evenvermelde vorderingen òfwel dat oordeel ontoereikend gemotiveerd. On-derdeel 1.2 slaagt derhalve eveneens.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/86148c8d410ac257367b654b05d2a4a73717424a2aa73e516cd0b36cbfeeef18. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 86148c8d410ac257367b654b05d2a4a73717424a2aa73e516cd0b36cbfeeef18, en de alinea staat in dat document op bytes 15189 tot 16054.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/86148c8d410ac257367b654b05d2a4a73717424a2aa73e516cd0b36cbfeeef18 | shasum -a 256