Citaat | Hoge Raad 3 mei 2000

Alinea 16 Hoge Raad 3 mei 2000

Een alinea uit Hoge Raad 3 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5676.

3.3. Het Hof heeft kennelijk en terecht tot uitgangspunt genomen dat, gelet op de samenhang tussen de leden van artikel 6 van het Verdrag en de in lid 1 van dat artikel gebezigde ruime formulering betreffende inkomsten voortvloeiende uit op voordeel gerichte niet-zelfstandige werkzaamheid, dat eerste lid is te beschouwen als een hoofdregel ter zake van de heffingsbevoegdheid voor inkomsten uit niet-zelfstandige arbeid. Zulks brengt met zich dat in het algemeen ontslaguitkeringen als de onderhavige, voorzover zij niet onder het - kort gezegd - op pensioenen betrekking hebbende lid 3 van artikel 6 vallen, ter heffing zijn toegewezen aan de Staat op welks grondgebied de persoonlijke werkzaamheid wordt uitgeoefend waaruit de inkomsten voortvloeien. De enkele omstandigheid dat lid 1 van artikel 6 is gesteld in de onvoltooid tegenwoordige tijd staat niet eraan in de weg ook inkomsten die in algemene zin verband houden met vroeger verrichte diensten onder de in dat lid neergelegde hoofdregel te begrijpen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dd3a028aec0ab63dcfa86e4988fed4034b55c4e72f1db44db2ebaec68fbf5f53. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dd3a028aec0ab63dcfa86e4988fed4034b55c4e72f1db44db2ebaec68fbf5f53, en de alinea staat in dat document op bytes 9577 tot 10604.