Citaat | Hoge Raad 3 mei 2000

Alinea 20 Hoge Raad 3 mei 2000

Een alinea uit Hoge Raad 3 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5676.

3.7. Het Hof heeft aan zijn hiervoor onder 3.2 weergegeven oordeel toegevoegd dat de door belanghebbende aangevoerde omstandigheid dat hij vanwege zijn leeftijd (van 55 jaar) en zijn - op 31 december 1992 gedeeltelijke - arbeids-ongeschiktheid weinig kans had op herintreding in het arbeidsproces, geen wijziging kan brengen in de aard van de door zijn werkgeefster aan hem toegekende vergoeding en dat deze omstandigheid dan ook niet kan leiden tot een ander oordeel inzake de kwalificatie van de vergoeding voor de toepassing van het Verdrag. Indien ‘s Hofs oordeel aldus moet worden verstaan dat de kans op herintreding in het arbeidsproces niet van belang is, geeft zijn oordeel blijkens hetgeen hiervoor onder 3.6 is overwogen, blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het Hof heeft bedoeld dat de aard van een vergoeding die is toegekend wegens in de toekomst te derven inkomsten, waarbij de leeftijd ten tijde van de toekenning en de periode tot de pensioengerechtigde leeftijd geen rol hebben gespeeld, niet wijzigt door de omstandigheid dat de gerechtigde die vergoeding wegens zijn leeftijd en/of ingetreden arbeidsongeschiktheid zal willen besteden aan de overbrugging tot de pensioendatum, is zijn oordeel juist. De aard en strekking van de vergoeding wijzigt door een dergelijke subjectieve omstandigheid immers niet. Uit ’s Hofs uitspraak wordt echter niet duidelijk of zijn oordeel in laatstbedoelde zin moet worden opgevat. Het Hof heeft immers onder 5.1 van zijn uitspraak vastgesteld dat de hoogte van de vergoeding mede afhankelijk was van de leeftijd van de betrokken werknemer, zonder evenwel vast te stellen op welke wijze met de leeftijd ten tijde van de toekenning rekening werd gehouden. Aldus is niet duidelijk of die berekeningswijze niet, mede in verband met de overige omstandigheden van het geval en de ervaringsregel dat bij toenemende leeftijd de kans op herintreding in het arbeidsproces vermindert, noopt tot de conclusie dat de uitkering strekte tot overbrugging in de behoefte aan levensonderhoud tot de pensioendatum en daarop was afgestemd. Daarbij verdient opmerking dat de door het Hof in aanmerking genomen hoogte van de vergoeding bij de beoordeling slechts in beperkte mate van belang is, omdat de vergoeding kan strekken tot aanvulling van reeds bestaande voorzieningen die mede kunnen dienen tot overbrugging. ’s Hofs uitspraak geeft dan ook onvoldoende inzicht in zijn gedachtegang, zodat deze niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. De klachten worden in zoverre terecht voorgesteld.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dd3a028aec0ab63dcfa86e4988fed4034b55c4e72f1db44db2ebaec68fbf5f53. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dd3a028aec0ab63dcfa86e4988fed4034b55c4e72f1db44db2ebaec68fbf5f53, en de alinea staat in dat document op bytes 12851 tot 15416.