Citaat | Hoge Raad 14 juni 2000

Alinea 13 Hoge Raad 14 juni 2000

Een alinea uit Hoge Raad 14 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6215.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de in onderdeel 6.2 van zijn uitspraak vermelde feiten en omstandigheden, tezamen en in onderling verband beschouwd, tot de conclusie leiden dat het aan belanghebbende en haar echtgenoot verleende optierecht op het pand is opgekomen uitsluitend in het kader van en ten behoeve van hun onderneming, zodat het optierecht niet anders dan als een tot hun bedrijfsvermogen behorend recht kan worden beschouwd. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat het als gevolg van de uitoefening en het direct daarop te gelde maken van het optierecht verkregen voordeel voor het aan belanghebbende toekomende deel in zijn geheel tot de winst uit onderneming moet worden gerekend, waarbij het Hof er kennelijk van is uitgegaan dat het optierecht nadat het in de onderneming was opgekomen niet - ook niet voor een deel - aan het ondernemingsvermogen is onttrokken. Beide oordelen geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie voor het overige niet op hun juistheid worden getoetst. Zij behoefden ook geen nadere motivering. De klacht kan derhalve niet tot cassatie leiden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/508cf36fc10393d3cfd4b14ca1ab6476ed958de74b00aabaa15e10ac1d38399e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 508cf36fc10393d3cfd4b14ca1ab6476ed958de74b00aabaa15e10ac1d38399e, en de alinea staat in dat document op bytes 5685 tot 6861.