Citaat | Hoge Raad 16 juni 2000

Alinea 41 Hoge Raad 16 juni 2000

Een alinea uit Hoge Raad 16 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6231.

3.3 Onderdeel 1 is gericht tegen ’s Hofs rov. 4.5 e.v. Daarin komt het Hof tot zijn hiervoor vermelde slotsom dat aan [eiseres] geen tegen de bank in te roepen retentierecht toekomt. Hetgeen het onderdeel daartegen aanvoert, laat zich aldus samenvatten dat indien de eigenaar van de grond - [de vrouw] - ermee heeft ingestemd dat haar echtgenoot - [de man] - de hiervoor bedoelde aanvullende overeenkomst met [eiseres] sloot, deze laatste [de man] daartoe bevoegd mocht achten niet alleen in diens verhouding tot de eigenaar van de onroerende zaak, maar ook in diens verhouding tot de bank. Daarom kan [eiseres], volgens het onderdeel, bij het nemen van verhaal voor haar onbetaald gebleven vordering op [de man] haar retentierecht en de daaruit voortvloeiende voorrang aan de bank tegenwerpen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8ce4ba098b8c271a26a0fea8381ec9e31903ce7c7e524a6b2d510c985a77e6a4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8ce4ba098b8c271a26a0fea8381ec9e31903ce7c7e524a6b2d510c985a77e6a4, en de alinea staat in dat document op bytes 11523 tot 12336.