Citaat | Hoge Raad 16 juni 2000

Alinea 58 Hoge Raad 16 juni 2000

Een alinea uit Hoge Raad 16 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6234.

De wetgever was van oordeel dat de schuldenaar geen verwijt ervan kan worden gemaakt wanneer hij datgene doet, waartoe voor hem een rechtsplicht bestaat. Evenmin is er een redelijke rechtsgrond aan te wijzen, om hem die datgene ontving, waarop hij krachtens zijn vorderingsrecht aanspraak had, tot teruggaaf daarvan te noodzaken. "Kan derhalve de Pauliana nimmer gericht zijn tegen eene handeling, waartoe de schuldenaar verplicht was, dit neemt natuurlijk niet weg, dat die handeling indirect kan worden bestreden, door bestrijding der vroegere handeling, waarbij de schuldenaar die verplichting op zich nam, indien daartoe termen bestaan." Uitdrukkelijk werd overwogen dat het stelsel van de art. 42-51 aan het onvermogen van de schuldenaar als zodanig geen enkel rechtsgevolg verbindt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ee14beede1faf7b053b15ae517b3a8993567a3102af9511ab5843c03f159b534. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ee14beede1faf7b053b15ae517b3a8993567a3102af9511ab5843c03f159b534, en de alinea staat in dat document op bytes 18698 tot 19501.