Citaat | Hoge Raad 16 juni 2000
Alinea 46 Hoge Raad 16 juni 2000
Een alinea uit Hoge Raad 16 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6237.
3.4 Bij de beoordeling van de onderdelen 3 tot en met 5 van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Wanneer een partij voor de totstandkoming van een overeenkomst aan de wederpartij bepaalde inlichtingen had behoren te geven om te voorkomen dat de wederpartij zich omtrent de betreffende punten een onjuiste voorstelling zou maken, zal in het algemeen de goede trouw zich ertegen verzetten dat de eerstgenoemde partij ter afwering van een beroep op dwaling aanvoert dat de wederpartij het ontstaan van dwaling aan zichzelf heeft te wijten. In die regel ligt besloten dat het enkele feit dat een partij haar onderzoeksplicht naar bepaalde relevante gegevens verzaakt, niet uitsluit dat de andere partij terzake van diezelfde gegevens een mededelingsplicht heeft (HR 10 april 1998, nr. 8957, NJ 1998, 666).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/63c8d2eb8c6be7afc6d055852bf0eed509299e0b2f9813fc4f086f35c8126f66. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 63c8d2eb8c6be7afc6d055852bf0eed509299e0b2f9813fc4f086f35c8126f66, en de alinea staat in dat document op bytes 13187 tot 14016.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/63c8d2eb8c6be7afc6d055852bf0eed509299e0b2f9813fc4f086f35c8126f66 | shasum -a 256