Citaat | Hoge Raad 30 juni 2000

Alinea 38 Hoge Raad 30 juni 2000

Een alinea uit Hoge Raad 30 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6344.

[Verkopers] zijn van beide vonnissen in hoger beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft in conventie de vordering van [verkopers] toegewezen en de vordering in reconventie van [kopers], welke vordering strekte tot schadevergoeding, afgewezen. Daartoe heeft het Hof - kort weergegeven - het volgende overwogen. Met betrekking tot voorwaarde (b) is geen incidenteel beroep ingesteld zodat die voorwaarde niet meer aan de orde kan komen (rov. 2). Het beroep van [kopers] op voorwaarde (a) is in strijd met de redelijkheid en billijkheid (rov. 8.7) op grond van de in rov. 3-8.6 vermelde overwegingen die erop neerkomen dat [kopers] dat beroep op een "oneigenlijke grond" hebben gedaan. Bij gebreke van voldoende feitelijke onderbouwing wordt voorbijgegaan aan de stelling dat het verkochte niet aan de overeenkomst beantwoordt (rov. 9). [verkopers] behoefden niet in uitstel van de overdracht te bewilligen en voor matiging van de boete bestaat geen grond (rov. 10).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/74368d7d3def1344b450f8ed36c36169c07284389e4912899a13bff6a64c7630. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 74368d7d3def1344b450f8ed36c36169c07284389e4912899a13bff6a64c7630, en de alinea staat in dat document op bytes 10342 tot 11318.