Citaat | Hoge Raad 14 juli 2000

Alinea 21 Hoge Raad 14 juli 2000

Een alinea uit Hoge Raad 14 juli 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6513.

3.7. Dit betoog doet in de eerste plaats de vraag rijzen of voor de heffing van het recht van successie sprake is van gelijke gevallen. Bij de beantwoording van die vraag stelt de Hoge Raad voorop dat het niet belasten van goodwill bij de verkrijging van een eenmanszaak niet berust op een uitdrukkelijk wettelijk voorschrift. Integendeel, tekst en strekking van het waarderingsvoorschrift van (thans) artikel 21, lid 5, van de Successiewet 1956 lijken ertoe te nopen ook goodwill in de waardering van het ondernemingsvermogen te betrekken. Dat goodwill toch moet worden geëlimineerd, berust op de in de Conclusie van de Advocaat-Generaal vermelde geschiedenis van de totstandkoming van de Successiewet 1956, waarbij in de discussie in de Tweede Kamer het waarderingsvoorschrift voor tot een ondernemingsvermogen behorende zaken uiteindelijk de betekenis kreeg van de “waarde going concern”, welke niet omvat “de organisatorische goodwill als zodanig”.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/626325efc00019669b22ed4e95a15ab5e543fdfe2def681bc83a8ccc2e41d33f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 626325efc00019669b22ed4e95a15ab5e543fdfe2def681bc83a8ccc2e41d33f, en de alinea staat in dat document op bytes 12577 tot 13551.