Citaat | Hoge Raad 14 juli 2000

Alinea 26 Hoge Raad 14 juli 2000

Een alinea uit Hoge Raad 14 juli 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6513.

3.11. In overeenstemming met hetgeen hiervoor is overwogen, is de Hoge Raad van oordeel dat het hier gaat om voor de heffing van het recht van successie gelijke gevallen die - zoals in het onder 3.8 vermelde regeringsstandpunt is onderkend - ongelijk worden behandeld. Ter rechtvaardiging van die ongelijke behandeling zou in de lijn van de toelichting bij dat standpunt kunnen worden aangevoerd dat indien goodwill aanwezig is het moeilijk valt een splitsing te maken tussen zakelijke goodwill en aan de persoon gebonden goodwill, welke laatste uiteraard niet kan worden belast, en dat in het algemeen dit probleem zich vrijwel steeds voordoet bij eenmanszaken en niet, althans veel minder, bij ondernemingen die in de vorm van een NV of BV worden gedreven. Overtuigend is dit argument geenszins. Dit schattingsprobleem van de zakelijke goodwill tegenover aan de persoon van de ondernemer gebonden goodwill doet zich immers ook voor in velerlei andere situaties, zoals de verkoop van een onderneming, de afwikkeling van boedels, de opneming van een vennoot in een bestaande onderneming, de omzetting van een eenmanszaak in een BV, en het bepalen van de eindafrekeningswinst op de voet van artikel 15 of 16 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. In de praktijk is het dus klaarblijkelijk mogelijk een schatting te maken. Daarbij komt dat in de laatste decennia vele zelfstandige beroepsbeoefenaars, bij wie het probleem van het onderscheid tussen persoonlijke goodwill en zakelijke goodwill zich bij uitstek manifesteert, hun onderneming in de vorm van een BV zijn gaan drijven. De veronderstelling dat bij ondernemingen die in de vorm van een BV of NV worden gedreven, het schattingsprobleem zich niet of nauwelijks voordoet, is daardoor op gespannen voet met de realiteit komen te staan. De Hoge Raad acht het schattingsprobleem van zakelijke goodwill dan ook geen objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de geconstateerde ongelijke behandeling en onderschrijft het onder 3.8 weergegeven regeringsstandpunt dat deze ongelijke behandeling met het oog op de rechtsgelijkheid niet langer te verdedigen is. De hier besproken middelen betogen dan ook terecht dat het gesignaleerde verschil in behandeling in strijd is met het onder meer in artikel 26 IVBPR neergelegde discriminatieverbod.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/626325efc00019669b22ed4e95a15ab5e543fdfe2def681bc83a8ccc2e41d33f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 626325efc00019669b22ed4e95a15ab5e543fdfe2def681bc83a8ccc2e41d33f, en de alinea staat in dat document op bytes 16988 tot 19295.