Citaat | Hoge Raad 14 juli 2000
Alinea 36 Hoge Raad 14 juli 2000
Een alinea uit Hoge Raad 14 juli 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6532.
Uit de tekst van art. 13 lid 1, aanhef en onder a, Verdrag - die, kort gezegd, onder meer inhoudt dat de rechter niet gehouden is de terugkeer van het kind te gelasten indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, "aantoont" dat in het niet doen terugkeren is toegestemd of berust - en in het bijzonder uit de in de conclusie van de Advocaat-Generaal Strikwerda onder 11 aangehaalde passage uit het Rapport explicatif bij het Verdrag volgt dat, ingeval wordt betwist dat toestemming is gegeven voor het niet doen terugkeren van het kind, terzake een bewijsopdracht kan worden verleend en dat de bewijslast rust op degene die zich tegen de terugkeer van het kind verzet. Noch uit het Verdrag noch uit het Rapport explicatif blijkt dat dan bewijs door getuigen niet zou zijn toegelaten. In verband met dit laatste is van belang dat in art. 12 van de Uitvoeringswet (Wet van 2 mei 1990, Stb. 202) onder meer art. 429j Rv. van toepassing is verklaard.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/078a238052e4eea7bd0899f09c64a624bb4c8e420e8d3d60420507c591d0ee44. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 078a238052e4eea7bd0899f09c64a624bb4c8e420e8d3d60420507c591d0ee44, en de alinea staat in dat document op bytes 12731 tot 13704.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/078a238052e4eea7bd0899f09c64a624bb4c8e420e8d3d60420507c591d0ee44 | shasum -a 256