Citaat | Hoge Raad 14 juli 2000

Alinea 38 Hoge Raad 14 juli 2000

Een alinea uit Hoge Raad 14 juli 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6532.

Het onderdeel betoogt voorts dat de strekking van het Verdrag meebrengt dat degene die zich op de uitzondering van art. 13 lid 1, aanhef en onder a, beroept tenminste zal moeten stellen dat toestemming is verleend voor definitief verblijf, en dat niet voldoende is dat de andere ouder erin heeft berust dat de kinderen niet onmiddellijk terugkeerden naar het land van hun gewone verblijfplaats. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het Hof de stukken van het geding aldus opgevat dat het debat van partijen slechts de vraag betrof òf toestemming voor het niet terugkeren was verleend, en niet of toestemming voor een definitief dan wel een tijdelijk verblijf was gegeven, en heeft het op grond daarvan geen aanleiding gevonden van de moeder te verlangen dat zij met zoveel woorden zou stellen dat de vader had toegestemd in definitief verblijf van de kinderen bij haar. Voorts biedt noch het Verdrag noch het Rapport explicatif enig aanknopingspunt voor de opvatting dat de ouder die zich tegen de terugkeer verzet, slechts kan worden toegelaten tot bewijs van de stelling dat toestemming is verleend, indien deze tevens stelt dat toestemming voor een definitief verblijf is gegeven.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/078a238052e4eea7bd0899f09c64a624bb4c8e420e8d3d60420507c591d0ee44. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 078a238052e4eea7bd0899f09c64a624bb4c8e420e8d3d60420507c591d0ee44, en de alinea staat in dat document op bytes 13990 tot 15189.