Citaat | Hoge Raad 8 september 2000

Alinea 39 Hoge Raad 8 september 2000

Een alinea uit Hoge Raad 8 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7040.

3.4 Onderdeel I betoogt dat de gegrondbevinding van dit verwijt onverenigbaar is met de door [verweerder] in eerste aanleg en in appel en als getuige geponeerde stelling dat hij omstreeks begin augustus 1993 aan [eiser] uitdrukkelijk heeft meegedeeld dat hij - juist vanwege zijn bewustheid van het daarin gelegen onaanvaardbare risico - zijn registratievoorwaarde alsnog wilde laten vervallen, indien niet tijdig (vóór 15 september 1993) zou kunnen worden voldaan aan de door het Hof te Leeuwarden daartoe verlangde over-legging van voldoende bereidverklaringen van de door [eiser] te noemen deskundigen. Voorts stelt het onderdeel dat [eiser] zich in zijn verweer zowel in eerste aanleg als in appel op die stelling van [verweerder] heeft beroepen ten betoge dat uit die stelling blijkt dat [verweerder] zich wel degelijk tijdig bewust is geweest van het onverantwoord riskante karakter van het nog langer handhaven van die registratie-voorwaarde. Het onderdeel klaagt dat het Hof ten onrechte dit - mede vanuit het causaliteitsaspect - essentiële verweer van [eiser] onbesproken heeft gela-ten en zijn arrest niet naar behoren heeft gemotiveerd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/73809de28aedca6f165b87dc58fd64445f349af4d3b70b0d0f4efdcf02f16821. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 73809de28aedca6f165b87dc58fd64445f349af4d3b70b0d0f4efdcf02f16821, en de alinea staat in dat document op bytes 10808 tot 11972.