Citaat | Hoge Raad 8 september 2000

Alinea 33 Hoge Raad 8 september 2000

Een alinea uit Hoge Raad 8 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7048.

a.) dat de wetgever met art. III van de Wet van 7 juli 1994 tot wijziging van de artikelen 71 en 245 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 310 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (verjarings- en klachttermijnen zedendelicten), Stb. 529, kennelijk heeft beoogd "het gat te dichten" dat was ontstaan in de periode van 1 januari 1993 tot aan de inwerkingtreding van de nieuwe verjaringsregeling op 1 september 1994, en dat de door haar ingestelde vordering dan ook niet voor 27 mei 1999 (twaalf jaar na het bereiken van haar meerderjarigheid) is verjaard; b.) dat indien art. 3:310 lid 1 van toepassing is, er rekening mee dient te worden gehouden dat zij zich ten tijde van de aangifte niet bewust is geweest van de schade die zij ten gevolge van het sexuele misbruik heeft geleden, dat zulks evenmin het geval was toen zij in 1989 tegen haar vader procedeerde ter verkrijging van een uitkering tot levensonderhoud, dat zij pas begin 1996 tot het inzicht is gekomen dat zij ernstige schade heeft geleden en dat zij zich ook pas toen in staat voelde de onderhavige procedure aanhangig te maken, en dat redelijkheid en billijkheid derhalve meebrengen dat haar een langere verjaringstermijn wordt gegund.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a7d68fb895da9b021ea8d911ea2cf749aa246d88e09752d2078ac763ca92ed25. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a7d68fb895da9b021ea8d911ea2cf749aa246d88e09752d2078ac763ca92ed25, en de alinea staat in dat document op bytes 8581 tot 9799.