Citaat | Hoge Raad 22 september 2000

Alinea 32 Hoge Raad 22 september 2000

Een alinea uit Hoge Raad 22 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7204.

3.3 Onderdeel 3.1 - de onderdelen 1-3 bevatten een inleiding - berust op een onjuiste lezing van de beschikking van het Hof en kan daarom bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Het Hof is niet voorbijgegaan aan de betwisting van de stellingen van de vrouw. Het heeft echter in de vaststaande feiten voldoende grond gevonden voor het oordeel dat de man de verwekker van [de dochter] kan zijn, mede gegeven het feit dat de vrouw verklaart dat zij met de man - en alleen met hem - in het conceptietijdvak seksuele gemeenschap heeft gehad. Deze laatste - door de man betwiste - stelling is in zoverre - nu er een seksuele relatie tussen partijen heeft bestaan en de man de vrouw in bedoelde periode heeft bezocht - redengevend dat voor het aannemen van verwekkerschap van de man nodig is dat gesteld wordt dat partijen in die periode seksuele gemeenschap hebben gehad en dat zulks ook (voldoende) aannemelijk is.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fd8665711fa8517b4582f328da142c4bc65eb7e43d9fa592c7fb63d69a8f9e96. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fd8665711fa8517b4582f328da142c4bc65eb7e43d9fa592c7fb63d69a8f9e96, en de alinea staat in dat document op bytes 9946 tot 10891.