Citaat | Hoge Raad 11 oktober 2000
Alinea 70 Hoge Raad 11 oktober 2000
Een alinea uit Hoge Raad 11 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7410.
-2. Art. 11 Wet ARB schrijft voor dat de griffier partijen kennis geeft van dag en uur van de mondelinge behandeling (tweede lid) en dat oproeping en mededeling (…) schriftelijk ten minste tien dagen (…) voor de zittingsdag worden verzonden (derde lid). Art. 2, zevende lid, Wet ARB voegt daaraan nog toe dat de verzending van die stukken geschiedt bij aangetekend schrijven. Verzending met ontvangstbevestiging is echter ook goed; zie HR 18 december 1991, BNB 1992/81. Het is overigens vaste jurisprudentie dat "de wet niet vordert, dat ook blijken moet van het ontvangen der oproeping", aldus reeds HR 17 januari 1918, B. 1911; vgl. meer recent HR 5 juni 1985, BNB 1985/215.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/efd5d1a197890c4d685c0596f3d73447ec8667c130384d485dee701c15b5197c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt efd5d1a197890c4d685c0596f3d73447ec8667c130384d485dee701c15b5197c, en de alinea staat in dat document op bytes 23316 tot 24009.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/efd5d1a197890c4d685c0596f3d73447ec8667c130384d485dee701c15b5197c | shasum -a 256