Citaat | Hoge Raad 1 november 2000

Alinea 21 Hoge Raad 1 november 2000

Een alinea uit Hoge Raad 1 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7995.

3.6. Nu het middel slaagt, komt de door belanghebbende voor het Hof subsidiair aangevoerde stelling aan de orde, die inhoudt dat artikel 37, lid 5, van de Wet een door artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM in verbinding met artikel 1 van het Eerste Protocol verboden ongelijke behandeling oplevert. Volgens belanghebbende is er geen relevant verschil tussen haar positie en die van een vennootschap waarvan de inbrengende aandeelhouder in Nederland of in een van de andere Lid-Staten van de EU is gevestigd, en bestaat er geen objectieve rechtvaardiging voor de gunstiger behandeling die laatstbedoelde vennootschappen krijgen. Daaromtrent heeft het volgende te gelden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4d4ef066151da30d1a6478fc57f2f8ba2ce8c3b31a0d18ff07579afe4f56b4bc. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4d4ef066151da30d1a6478fc57f2f8ba2ce8c3b31a0d18ff07579afe4f56b4bc, en de alinea staat in dat document op bytes 11041 tot 11721.