Citaat | Hoge Raad 7 november 2000

Alinea 116 Hoge Raad 7 november 2000

Een alinea uit Hoge Raad 7 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8207.

17. Voorts neemt de steller van het middel er aanstoot aan dat het Hof heeft overwogen dat de vordering tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek is beperkt tot feiten die in een bepaalde periode werden gepleegd, en dat die beperking ‘kennelijk was ingegeven door opsporings-economische redenen’, terwijl van die reden voor beperking uit de stukken niet blijkt. De overweging wordt ook onbegrijpelijk genoemd, omdat de officier van justitie eerder zijn vordering als bedoeld in art. 125f (oud) Sv baseerde op gegevens betreffende een voorafgaande

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/456d0cc63aaf4ed8d189b7965d47e3c29f2b5ad702690dfaf0e565298c838d67. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 456d0cc63aaf4ed8d189b7965d47e3c29f2b5ad702690dfaf0e565298c838d67, en de alinea staat in dat document op bytes 32372 tot 32947.