Citaat | Hoge Raad 10 november 2000
Alinea 68 Hoge Raad 10 november 2000
Een alinea uit Hoge Raad 10 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8253.
11. Ook indien moet worden aangenomen dat de Rechtbank zich heeft laten leiden door HR 21 maart 1969, NJ 1969, 321 nt. GJS (zie daarover Arbeidsovereenkomst, losbl., BBA 1945, art. 1, aant. 3, bew. C.E.M. van den Boom), waarin is beslist dat het niet aankomt op de vraag of de arbeid in feite persoonlijk is verricht, doch dat veeleer valt aan te nemen, dat van een arbeidsverhouding in de zin van het BBA slechts kan worden gesproken, indien de werknemer ingevolge de door hem met de andere contractspartij gesloten overeenkomst verplicht is persoonlijk de arbeid te verrichten, en heeft gemeend dat niet van belang is dat, zoals "De Klinkaert" heeft gesteld, [verweerster] de tennislessen in feite niet (steeds) persoonlijk gaf, is de beslissing van de Rechtbank niet begrijpelijk. Uit de hierboven onder 10 genoemde vindplaatsen in de gedingstukken blijkt immers dat "De Klinkaert" tevens heeft gesteld dat [verweerster] ook niet verplicht was de tennislessen persoonlijk te geven. Het middel treft derhalve naar mijn oordeel doel.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1995fa47f436fea57814b1267bf4a5753a320345f7ad372a41980549270b3a7b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1995fa47f436fea57814b1267bf4a5753a320345f7ad372a41980549270b3a7b, en de alinea staat in dat document op bytes 21336 tot 22383.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/1995fa47f436fea57814b1267bf4a5753a320345f7ad372a41980549270b3a7b | shasum -a 256