Citaat | Hoge Raad 10 november 2000
Alinea 70 Hoge Raad 10 november 2000
Een alinea uit Hoge Raad 10 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8253.
13. Volgens vaste - inmiddels in art. 7:680a BW gecodificeerde - jurisprudentie van de Hoge Raad (zie met name HR 5 januari 1979, NJ 1979, 207 nt. PAS en HR 1 juni 1990, NJ 1990, 715 nt. PAS) is de rechter bevoegd een vordering tot doorbetaling van loon die gegrond is op de nietigheid (sinds de inwerkingtreding van de Wet Flexibiliteit en zekerheid: de vernietigbaarheid; zie Arbeidsovereenkomst, losbl., BBA 1945, art. 6, aant. 5, bew. C.E.M. van den Boom) van de opzegging van de arbeidsovereenkomst te matigen, indien toewijzing in de gegeven omstandigheden tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Het middel stelt de vraag aan de orde of in een geval als het onderhavige, waar het niet gaat om een arbeidsovereenkomst, maar om een overeenkomst van opdracht de matigingsbevoegdheid van overeenkomstige toepassing is, nu deze overeenkomst van opdracht leidt tot een arbeidsverhouding in de zin van art. 1 BBA.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1995fa47f436fea57814b1267bf4a5753a320345f7ad372a41980549270b3a7b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1995fa47f436fea57814b1267bf4a5753a320345f7ad372a41980549270b3a7b, en de alinea staat in dat document op bytes 22982 tot 23908.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/1995fa47f436fea57814b1267bf4a5753a320345f7ad372a41980549270b3a7b | shasum -a 256