Citaat | Hoge Raad 10 november 2000

Alinea 44 Hoge Raad 10 november 2000

Een alinea uit Hoge Raad 10 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8255.

3.4 Zoals het onderdeel terecht betoogt, gaat de Faillissementswet - behoudens in het zich hier niet voordoende geval dat aan het verzoek tot faillietverklaring een opheffing van het faillissement van de schuldenaar is voorafgegaan - ervan uit dat het de curator is die een onderzoek instelt naar de aanwezigheid van een vermogen van de schuldenaar of naar de verwachting dat binnen afzienbare tijd zulk een vermogen aanwezig zal zijn. In beginsel zal het eerst na kennisneming van de uitkomsten van dit onderzoek, dat dient te geschieden met een grondigheid waarvoor de snelle en summiere behandeling van een verzoek tot faillietverklaring doorgaans niet de gelegenheid biedt, aan de rechter vrijstaan een zodanig verzoek af te wijzen op de grond dat de verzoeker, nu voor hem geen enkel positief gevolg te verwachten is van een faillissement van de schuldenaar, misbruik maakt van zijn bevoegdheid dit faillissement aan te vragen. Het Hof heeft dit miskend. Het is immers reeds op grond van een verslag dat onmiskenbaar nog slechts op een eerste onderzoek van de curator berustte tot het door het onderdeel bestreden oordeel gekomen. Onderdeel 2 is dan ook gegrond, hetgeen tot vernietiging en verwijzing dient te leiden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c1f468abd372bb38252388c42d89030ae33f127704d042178ea62d81bfbaff93. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c1f468abd372bb38252388c42d89030ae33f127704d042178ea62d81bfbaff93, en de alinea staat in dat document op bytes 12387 tot 13623.