Citaat | Hoge Raad 10 november 2000

Alinea 46 Hoge Raad 10 november 2000

Een alinea uit Hoge Raad 10 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8258.

3.3.4 Uit de bewoordingen van art. 26 lid 1, het stelsel van de Wet voorkeursrecht gemeenten en de wetsgeschiedenis volgt dat in de eerste plaats zal moeten komen vast te staan, dat de overeenkomst de kennelijke strekking heeft om het voorkeursrecht van de gemeente te ontgaan en daartoe aldus is opgezet dat geen vervreemding (in de zin van art. 1 Wvg) zal plaatsvinden gedurende het bestaan van het voorkeursrecht, of althans gedurende een in het licht van de strekking van art. 26 relevant deel van die periode, doch de beschikkingsmacht over en het economisch belang bij de grond door de eigenaar in een zodanige mate worden overgedragen aan een of meer andere (rechts-)personen, dat een resultaat wordt bereikt dat materieel op hetzelfde neerkomt als vervreemding. In de parlementaire geschiedenis van de Wet van 4 juli 1996 wordt in dit verband gesproken over "feitelijke levering" of "economische-eigendomsoverdracht".

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dd7486a3835bec327ed53a24a7565d224780131a2abdef2905392a52dd93404f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dd7486a3835bec327ed53a24a7565d224780131a2abdef2905392a52dd93404f, en de alinea staat in dat document op bytes 15096 tot 16034.