Citaat | Hoge Raad 17 november 2000

Alinea 39 Hoge Raad 17 november 2000

Een alinea uit Hoge Raad 17 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8368.

3.4 Bij de uitleg van een uiterste wilsbeschikking dient weliswaar te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk heeft willen regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt, maar daden of verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil mogen slechts dan voor de uitleg van een uiterste wilsbeschikking worden gebruikt indien deze zonder die verklaringen geen duidelijke zin heeft (vgl. art. 4.3.1.8 nieuw BW). Nu niet kan worden gezegd dat een uiterste wil waarbij een in gemeenschap van goederen gehuwde man tot erfgenaam is benoemd, terwijl in die uiterste wil geen uitsluitingsclausule als bedoeld in art. 1:94 BW is opgenomen, geen duidelijke zin heeft, en het Hof ook niet heeft vastgesteld dat de onderhavige uiterste wil zonder de tegenover de notaris afgelegde, maar niet in het testament opgenomen verklaring van de erflaatster een duidelijke zin ontbeert, heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste opvatting omtrent art. 4:932 en 4:933 BW. Het middel is derhalve gegrond.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/20ee9f60e37ac8f9c3a5332d213c815aceb0531744d2369d8acd16e9c8adbea8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 20ee9f60e37ac8f9c3a5332d213c815aceb0531744d2369d8acd16e9c8adbea8, en de alinea staat in dat document op bytes 12907 tot 13949.