Citaat | Hoge Raad 1 december 2000
Alinea 50 Hoge Raad 1 december 2000
Een alinea uit Hoge Raad 1 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8718.
3.3 Het Hof heeft in rov. 5.1 vooropgesteld dat de grieven in hoofdzaak betrekking hebben op de opvatting van de Rechtbank dat [eiseres] niet als rechtsopvolgster onder bijzondere titel van [het eenmansbedrijf] kan worden aangemerkt en heeft zich vervolgens gezet aan het gezamenlijk behandelen van de grieven op dit punt. In de rov. 5.3 en 5.4 heeft het Hof enige beschouwingen gewijd aan de vraag of een rechtsgeldige akte van cessie is opgemaakt en geoordeeld dat aan de mededelingseis van art. 3:94 lid 1 BW is voldaan. In rov. 6 heeft het Hof overwogen dat het vervolgens een oordeel zal geven over de vraag of de vordering van [eiseres] voor toewijzing vatbaar is. In rov. 6.8 is het Hof tot de slotsom gekomen dat de hiervóór in 3.1 onder (iv) vermelde brief van 16 juli 1993 niet kan worden beschouwd als een ondubbelzinnige mededeling in de zin van art. 3:317 BW. Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd met aanvulling van gronden.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/36088c49b519c0b8344c16231a4918a00b861ba1d431448ec490b74adad3fce2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 36088c49b519c0b8344c16231a4918a00b861ba1d431448ec490b74adad3fce2, en de alinea staat in dat document op bytes 12127 tot 13096.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/36088c49b519c0b8344c16231a4918a00b861ba1d431448ec490b74adad3fce2 | shasum -a 256