Citaat | Hoge Raad 1 december 2000

Alinea 56 Hoge Raad 1 december 2000

Een alinea uit Hoge Raad 1 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8718.

4.3 Bij de beoordeling van de overige in deze onderdelen vervatte klachten moet het volgende worden vooropgesteld. Ingevolge art. 3:317 lid 1 BW kan de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis worden gestuit door een "schriftelijke aanmaning" of "een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt." In zijn arrest van 14 februari 1997, nr. 16144, NJ 1997, 244, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de in art. 3:317 lid 1 gebruikte woorden "een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt" moeten worden begrepen in het licht van de strekking van de stuitingshandeling van deze aard welke blijkens Parl. Gesch. Boek 3, Inv. 3, 5 en 6, blz. 1408, slot tweede alinea, neerkomt op een - voldoende duidelijke - waarschuwing aan de schuldenaar dat hij er, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn rekening mee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering kan verweren.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/36088c49b519c0b8344c16231a4918a00b861ba1d431448ec490b74adad3fce2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 36088c49b519c0b8344c16231a4918a00b861ba1d431448ec490b74adad3fce2, en de alinea staat in dat document op bytes 14716 tot 15861.