Citaat | Hoge Raad 5 december 2000
Alinea 33 Hoge Raad 5 december 2000
Een alinea uit Hoge Raad 5 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8830.
Het hof heeft ter terechtzitting van 6 december 1999 aan het openbaar ministerie een - door de advocaat-generaal of mr. Teeven te beantwoorden en heden door het hof nader geconcretiseerde - vraag gesteld, nu het hof zulks noodzakelijk heeft geoordeeld teneinde omtrent de rol van [getuige 2] in deze te worden geïnformeerd. Deze vraag is ter terechtzitting van heden naar 's hofs oordeel door de advocaat-generaal onvoldoende beantwoord. De vraag, zoals oorspronkelijk (op 6 december 1999) door het hof geformuleerd, zag op de aard van de samenwerking van [getuige 2] met politie en/of justitie, zo daarvan al sprake zou zijn. Deze vraag is kennelijk niet zo begrepen en daarom door het hof ter terechtzitting van heden in dier voege nader geformuleerd. Deze nadere formulering hield een inperking in van de oorspronkelijke vraag en was door het hof ook als zodanig bedoeld.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b75bd6653522a4a565313bd90c845019254bc60652462fe2783310d73fd49a8e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b75bd6653522a4a565313bd90c845019254bc60652462fe2783310d73fd49a8e, en de alinea staat in dat document op bytes 10897 tot 11785.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/b75bd6653522a4a565313bd90c845019254bc60652462fe2783310d73fd49a8e | shasum -a 256