Citaat | Hoge Raad 5 januari 2001

Alinea 46 Hoge Raad 5 januari 2001

Een alinea uit Hoge Raad 5 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9308.

3.3.2 Bij de beoordeling van de in het onderdeel vervatte klacht, moet worden vooropgesteld dat partijen bij een overeenkomst tot vervoer van goederen over de weg de vrijheid toekomt om het CMR-verdrag als toepasselijk op hun overeenkomst aan te wijzen in geval het verdrag strikt genomen ingevolge art. 1 lid 1 niet rechtstreeks van toepassing zou zijn. Voor zover partijen het CMR-verdrag van toepassing verklaren op zodanige overeenkomst welke niet een internationaal karakter draagt, zal een dergelijke keuze slechts kunnen bewerkstelligen dat het dwingende op die overeenkomst toepasselijke recht terzijde wordt gesteld wanneer aan de vereisten voor afwijking daarvan is voldaan zoals gesteld in art. 8:1102 lid 1 (vgl. HR 26 mei 1989, nr. 13443, NJ 1992, 105). Volgens art. 8:1102 lid 1 is afwijking van het in de onderhavige afdeling vervatte dwingende recht mogelijk indien een daartoe strekkend beding uitdrukkelijk en anders dan door een verwijzing naar in een ander geschrift voorkomende bedingen, is aangegaan bij een in het bijzonder ten aanzien van het voorgenomen vervoer aangegane en in een afzonderlijk geschrift neergelegde overeenkomst.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/082f4fb22f2db0be74df707efaafaee829cd86d4b3bad8da554d369cf911fd48. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 082f4fb22f2db0be74df707efaafaee829cd86d4b3bad8da554d369cf911fd48, en de alinea staat in dat document op bytes 13169 tot 14338.