Citaat | Hoge Raad 5 januari 2001

Alinea 49 Hoge Raad 5 januari 2001

Een alinea uit Hoge Raad 5 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9314.

3.3.2 Bij de beoordeling van het middel moet het volgende tot uitgangspunt worden genomen. Volgens art. 184 lid 2 Rv. levert, behoudens de in deze bepaling vermelde uitzondering, een authentieke of onderhandse akte ten aanzien van de verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen, tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van die verklaring. Ingevolge art. 178 lid 2 Rv. kan tegen dit dwingende bewijs tegenbewijs worden geleverd. Hieraan verdient te worden toegevoegd dat het aan de rechter vrijstaat dit tegenbewijs geleverd te achten indien hij op grond van de in het geding gebleken feiten bewezen acht dat de in de akte opgenomen verklaring onjuist is. De rechter kan immers vrijelijk aan ieder feitelijk gegeven in het geding de bewijskracht hechten die hem goeddunkt (Parlementaire Geschiedenis nieuw bewijsrecht, p. 51).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/01203fca849983e9e5e5dc52ae9c8922446b5165d8752272ca33ac7e1e35ad66. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 01203fca849983e9e5e5dc52ae9c8922446b5165d8752272ca33ac7e1e35ad66, en de alinea staat in dat document op bytes 13809 tot 14719.