Citaat | Hoge Raad 12 januari 2001

Alinea 91 Hoge Raad 12 januari 2001

Een alinea uit Hoge Raad 12 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9433.

2.17 De rechtbank heeft in haar eindvonnis van 1 mei 1997 (p. 4-5) overwogen dat voor de totstandkoming van een koopovereenkomst als de onderhavige ten minste nodig is dat tussen partijen voldoende duidelijkheid bestond over de als essentieel aan te merken termijn van oplevering, de bij een bedrijfscomplex niet denkbeeldige vraag of er al dan niet sprake was van bodemverontreiniging, de wijze waarop de vraagprijs betaald zou worden en de aanwezigheid van een financieringsmogelijkheid voor [eiser]. De gesprekken na 1 december 1994 hebben de duidelijkheid en overeenstemming omtrent de vermelde aangelegenheden niet gebracht. Daarbij komt volgens de rechtbank dat er tussen partijen, indien zij als wijze van betaling voor aandelenoverdracht zouden kiezen, omtrent de daarvoor te betalen prijs een verschil van mening is gerezen, dat niet meer is bijgelegd en dat [verweerster] heeft doen besluiten de onderhandelingen te beëindigen. De rechtbank concludeert vervolgens op basis van de getuigenverklaringen dat er tussen partijen over te weinig essentiële zaken duidelijkheid en overeenstemming heeft bestaan om de totstandkoming van een partijen onvoorwaardelijk bindende koopovereenkomst te kunnen aannemen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9a41cb2fb467707c791efb83aaef5a8c8d9b71ab38fadb57cd74e1f7f40a78ba. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9a41cb2fb467707c791efb83aaef5a8c8d9b71ab38fadb57cd74e1f7f40a78ba, en de alinea staat in dat document op bytes 30436 tot 31665.