Citaat | Hoge Raad 19 januari 2001

Alinea 35 Hoge Raad 19 januari 2001

Een alinea uit Hoge Raad 19 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9559.

3.2 In het onderhavige geding heeft [verweerder] gevorderd dat [eiser] zal worden veroordeeld om aan hem een bedrag van ƒ 35.000,-- te betalen als restant van de koopsom die door [eiser], naar [verweerder] stelt, nog is verschuldigd ter zake van de in de conclusie vermelde koop van de in dit geding bedoelde auto. De Rechtbank heeft de vordering afgewezen op grond van haar oordeel dat het verweer van [eiser] dat de cessie van de vordering van [betrokkene B] op [eiser] niet is tot stand gekomen, doel trof. Het Hof heeft in zijn tussenarrest van 13 augustus 1996 de tegen dit oordeel van de Rechtbank gerichte grief gegrond geoordeeld en heeft de verweren van [eiser] die een beroep op dwaling, bedrog en wanprestatie inhielden, verworpen. Het Hof heeft voorts aan elk van partijen een bewijsopdracht gegeven. In zijn eindarrest van 12 november 1998 heeft het Hof de vordering van [verweerder] toegewezen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/91c710376a2c74cbe2005b4b5ab4a34862e3b88fbc1ff69cebcd3c1d65da5431. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 91c710376a2c74cbe2005b4b5ab4a34862e3b88fbc1ff69cebcd3c1d65da5431, en de alinea staat in dat document op bytes 7536 tot 8458.