Citaat | Hoge Raad 19 januari 2001

Alinea 37 Hoge Raad 19 januari 2001

Een alinea uit Hoge Raad 19 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9559.

3.4 Het Hof is in zijn onder 3.3 weergegeven oordeel ervan uitgegaan dat voor een geslaagd beroep op dwaling is vereist dat sprake is van nadeel aan de zijde van degene die zich op dwaling beroept. Aldus heeft het Hof miskend dat voor een beroep op de in art. 3:44 en 6:228 BW vermelde vernietigingsgronden niet is vereist dat degene die zich daarop beroept, door het aangaan van de overeenkomst onder invloed van het wilsgebrek, is benadeeld. Aldus heeft het Hof, door te oordelen als onder 3.3 is weergegeven, blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De onderdelen 1 en 2 van het middel treffen derhalve doel. Dit brengt mee dat ook onderdeel 6, dat is gericht tegen rov. 7.4 van het eindarrest van het Hof, slaagt voorzover het inhoudt dat het beroep van [eiser] op bedrog en dwaling ten onrechte is verworpen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/91c710376a2c74cbe2005b4b5ab4a34862e3b88fbc1ff69cebcd3c1d65da5431. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 91c710376a2c74cbe2005b4b5ab4a34862e3b88fbc1ff69cebcd3c1d65da5431, en de alinea staat in dat document op bytes 9171 tot 10004.