Citaat | Hoge Raad 26 januari 2001

Alinea 36 Hoge Raad 26 januari 2001

Een alinea uit Hoge Raad 26 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9664.

3.4 Op het hiertegen door [verweerster] ingestelde hoger beroep en door [eiser] ingestelde incidentele beroep heeft de Rechtbank bij vonnis van 28 januari 1999 de vorderingen van [eiser] afgewezen. Zij heeft dit, kort samengevat, als volgt gemotiveerd. Zij was van oordeel dat [eiser], nadat [verweerster] het niet volledig afdragen van de taxigelden voor het eerst had geconstateerd, zijn concentratiestoornissen en vergeetachtigheid aan haar had moeten melden en zich wat dit betreft niet in stilzwijgen had mogen hullen. Daarom kon niet worden gezegd dat [eiser] met betrekking tot het (niet-)afdragen van de taxigelden vrijuit ging en was een deskundigenbericht omtrent diens medische klachten niet noodzakelijk. Ten slotte ging de Rechtbank als vaststaand ervan uit dat [eiser] enkele malen verzuimd had taxigelden aan [verweerster] af te dragen en was zij van oordeel dat dit een dringende reden in de zin van art. 7:677 BW opleverde.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/089873a343a25e032919de6b5df21f6760b5c9a664bb81bdc027d1527217a4fa. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 089873a343a25e032919de6b5df21f6760b5c9a664bb81bdc027d1527217a4fa, en de alinea staat in dat document op bytes 8860 tot 9816.