Citaat | Hoge Raad 30 januari 2001
Alinea 25 Hoge Raad 30 januari 2001
Een alinea uit Hoge Raad 30 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9705.
3.4.3. De Hoge Raad is evenwel van mening bij die rechtspraak te moeten blijven op grond van het navolgende. Op 1 februari 1998 is in werking getreden de Wet van 15 januari 1998, Stb. 1998, 31, waarbij onder meer art. 408a en het tweede lid van art. 450 in het Wetboek van Strafvordering zijn ingevoegd. Die bepalingen beogen de mogelijkheid te scheppen dat, indien het hoger beroep wordt ingesteld onder meer door een gemachtigde, zoals de advocaat, aan deze aanstonds een oproeping van de verdachte wordt uitgereikt om tegen een bepaalde datum ter terechtzitting te verschijnen ten einde in hoger beroep terecht te staan, in welk geval de oproeping geldt als ware zij in persoon betekend. De wetgever heeft aldus bij de totstandkoming van deze recente wettelijke regeling tot uitgangspunt genomen dat de gemachtigde bij het instellen van hoger beroep persoonlijk ter griffie verschijnt. Onder die omstandigheden acht de Hoge Raad zich niet vrij om door een heroverweging van zijn vaste rechtspraak te bewerkstelligen dat dit uitgangspunt niet langer zou gelden.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3a2cd43a7691e3761effa9c204c564444e6da16b4fd0b93d9893fd45c1f90f8b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3a2cd43a7691e3761effa9c204c564444e6da16b4fd0b93d9893fd45c1f90f8b, en de alinea staat in dat document op bytes 8657 tot 9733.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/3a2cd43a7691e3761effa9c204c564444e6da16b4fd0b93d9893fd45c1f90f8b | shasum -a 256