Citaat | Hoge Raad 13 februari 2001

Alinea 40 Hoge Raad 13 februari 2001

Een alinea uit Hoge Raad 13 februari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9957.

4.3.4. Gelet op voormelde omstandigheden en in aanmerking genomen dat een verdachte die wordt vrijgesproken terwijl het Openbaar Ministerie die vrijspraak niet had gevorderd, ermee rekening dient te houden dat het Openbaar Ministerie zich niet bij die vrijspraak zal neerleggen, en dat het in zo'n geval op de weg van de verdachte ligt zelf enige activiteit te ontplooien om te achterhalen of het Openbaar Ministerie een rechtsmiddel heeft ingesteld tegen de vrijspraak - hetgeen de opgeëiste persoon heeft nagelaten - komt de Hoge Raad tot de slotsom dat de opgeëiste persoon zijn recht op aanwezigheid bij de behandeling van zijn zaak in hoger beroep heeft kunnen uitoefenen, maar dat hij moet worden geacht dit te hebben prijsgegeven.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1ea70932ccccf35efb1038202bb975ac632e6ba5a6d40ca4cdfdfe09a9beb8de. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1ea70932ccccf35efb1038202bb975ac632e6ba5a6d40ca4cdfdfe09a9beb8de, en de alinea staat in dat document op bytes 12713 tot 13466.