Citaat | Hoge Raad 27 februari 2001

Alinea 28 Hoge Raad 27 februari 2001

Een alinea uit Hoge Raad 27 februari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0262.

3.5.2. Vooropgesteld moet worden dat indien uitlevering wordt verzocht in gevallen waarin zowel de verzoekende Staat als de aangezochte Staat is toegetreden tot het EVRM - zoals te dezen het geval is - in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat de bepalingen van dit verdrag zal eerbiedigen. Voor wat betreft art. 6 EVRM kan dit beginsel uitzondering lijden indien blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6, eerste lid, EVRM toekomend recht dat de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren, in de weg staat aan de verplichting tot uitlevering die voortvloeit uit het te dezen toepasselijke EUV (vgl. o.m. HR 29 mei 1990, NJ 1991, 467).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/217c0ec76950118fb857717ea8ed16e3d80016e16ec2b7e4b436f4f7a9e61ede. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 217c0ec76950118fb857717ea8ed16e3d80016e16ec2b7e4b436f4f7a9e61ede, en de alinea staat in dat document op bytes 9064 tot 9900.