Citaat | Hoge Raad 6 maart 2001

Alinea 31 Hoge Raad 6 maart 2001

Een alinea uit Hoge Raad 6 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0401.

4.6. Het middel faalt voorzover het berust op de kennelijke opvatting dat in het onderhavige geval, waarin de strafvervolging is gebaseerd op resultaten van overeenkomstig de Regeling verrichte analyses, aan de verdachte zonder meer de mogelijkheid van een tegenonderzoek had moeten worden geboden en dat bij gebreke daarvan het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is dan wel genoemde resultaten van het bewijs dienen te worden uitgesloten. Die opvatting vindt geen steun in het recht, in het bijzonder niet in het bepaalde in art. 6 EVRM.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/eb6e6ed66f16f3543d291e4e054ebdc9540491ad0355379de80b5ab17849ad63. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt eb6e6ed66f16f3543d291e4e054ebdc9540491ad0355379de80b5ab17849ad63, en de alinea staat in dat document op bytes 9711 tot 10265.