Citaat | Hoge Raad 21 maart 2001
Alinea 30 Hoge Raad 21 maart 2001
Een alinea uit Hoge Raad 21 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0631.
3.10. Voorzover het vierde middel berust op andere rechtsopvattingen, faalt het op grond van het vorenstaande. Het faalt ook voor het overige. Anders dan in het middel wordt betoogd, heeft het Hof niet miskend dat artikel 47, lid 4, van de Wet ook van toepassing is op giften in de vorm van lijfrenten. Het is echter aan toepassing daarvan niet toegekomen, omdat het - blijkens het vorenstaande terecht - heeft geoordeeld dat van een periodieke uitkering geen sprake is, omdat de betaling van f 10.000 aan de Stichting deel uitmaakt van een geheel van rechten en verplichtingen als hiervoor bedoeld. Op dit laatste stuiten eveneens af de verwijten dat het Hof naar het verkeerde moment heeft beoordeeld of sprake was van vrijgevigheid en heeft miskend dat ook een min of meer verplichte bijdrage een gift, ook in de vorm van termijnen van lijfrenten, kan opleveren.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/30c1df875ce0484b40cf348cb1c31a0465a7aadc5e987ebcc52ba12a4f14c743. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 30c1df875ce0484b40cf348cb1c31a0465a7aadc5e987ebcc52ba12a4f14c743, en de alinea staat in dat document op bytes 15438 tot 16317.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/30c1df875ce0484b40cf348cb1c31a0465a7aadc5e987ebcc52ba12a4f14c743 | shasum -a 256