Citaat | Hoge Raad 21 maart 2001
Alinea 30 Hoge Raad 21 maart 2001
Een alinea uit Hoge Raad 21 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0632.
3.4.2. De middelen strekken onder meer ten betoge dat het Hof de stelling van belanghebbende dat zij door de betaling van de achterstallige lonen en vakantiegelden namens en voor rekening van de BV een schuld van de BV heeft betaald, waardoor tegelijkertijd zowel haar schuld aan de BV als ook de schulden van de BV aan de individuele werknemers teniet zijn gegaan, op ontoereikende gronden heeft verworpen. Het oordeel van het Hof dat belanghebbende voor haar stelling geen bewijs heeft geleverd, moet kennelijk aldus worden begrepen dat belanghebbende geen feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt die de conclusie rechtvaardigen dat de betaling waarover het gaat namens en voor rekening van de BV is gedaan, aldus dat door die betaling zowel haar schuld aan de BV als de schuld van de BV aan de werknemers is tenietgegaan. Aldus begrepen is dit oordeel, dat berust op de aan het Hof voorbehouden waardering van het bewijs, niet onbegrijpelijk. Het kan derhalve in cassatie niet met vrucht worden bestreden, zodat de middelen in zoverre niet tot cassatie kunnen leiden.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/75e2727833056b6f7d0a06e360c061a5d2ffe5141cb7753c48eb780f1c89d881. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 75e2727833056b6f7d0a06e360c061a5d2ffe5141cb7753c48eb780f1c89d881, en de alinea staat in dat document op bytes 15820 tot 16914.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/75e2727833056b6f7d0a06e360c061a5d2ffe5141cb7753c48eb780f1c89d881 | shasum -a 256