Citaat | Hoge Raad 30 maart 2001
Alinea 47 Hoge Raad 30 maart 2001
Een alinea uit Hoge Raad 30 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0804.
3.3 In haar tussenvonnis van 24 augustus 1994 heeft de Rechtbank in de eerste plaats geoordeeld dat het gaat om een rechtsvordering betrekkelijk tot een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 39 RO; omdat [eiser] geen beroep heeft gedaan op de onbevoegdheid van de Rechtbank, heeft deze overwogen dat zij op de voet van art. 157 Rv. in hoogste ressort recht zou spreken (rov. 5.1). De Rechtbank heeft vervolgens - samengevat - overwogen: SUSH had een financiële doelstelling; de administratieve vastlegging behoorde tot de kern van de functie van [eiser] (rov. 5.2); de eigen verantwoordelijkheid van het bestuur van SUSH doet daar niet aan af (rov. 5.3); nu ten aanzien van een bedrag van ƒ 140.000,-- geen behoorlijke administratieve vastlegging is aangetroffen, moet het uitgangspunt zijn dat [eiser] is tekortgeschoten in de zorg die redelijkerwijs van hem kan worden verlangd (rov. 5.4); [eiser] heeft echter van zijn kant gesteld dat de bankopnamen met behulp van schriftelijke stukken naar behoren verantwoord kunnen worden, in die zin dat uit die stukken kon blijken dat de door hem opgenomen gelden ten goede van SUSH gekomen zijn; de bewuste stukken zijn echter volgens hem op 26 april 1990 verdwenen; zou komen vast te staan dat [eiser] over zodanige administratie beschikte dat hij de bankopnamen met behulp daarvan naar behoren zou hebben kunnen verantwoorden in die zin dat daaruit zou blijken dat de door hem opgenomen gelden ten goede van SUSH gekomen zijn, dan is er geen wanprestatie ten opzichte van SUSH (rov. 5.5); gelet op de verantwoordelijkheid van [eiser] als directeur van SUSH en op de omstandigheid dat [eiser] de bewuste gelden van de bankrekening van SUSH opgenomen heeft, ligt het op de weg van [eiser] om tegenover de gemotiveerde betwisting van SUSH te bewijzen dat hij over zodanige administratie beschikte dat hij de bankopnamen met behulp daarvan naar behoren zou hebben kunnen verantwoorden in die zin dat daaruit kon blijken dat de door hem opgenomen gelden ten goede van SUSH gekomen zijn. SUSH zal daartegen van haar kant tegenbewijs mogen leveren (rov. 5.6). De Rechtbank heeft daarop [eiser] tot bewijs van hetgeen daartoe in rechtsoverweging 5.6 is overwogen, toegelaten.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5dd6c9599096e4d98e145194660f28e5a807a58eb42dc0db4681b00ce4b3d7b6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5dd6c9599096e4d98e145194660f28e5a807a58eb42dc0db4681b00ce4b3d7b6, en de alinea staat in dat document op bytes 13614 tot 15849.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/5dd6c9599096e4d98e145194660f28e5a807a58eb42dc0db4681b00ce4b3d7b6 | shasum -a 256