Citaat | Hoge Raad 30 maart 2001
Alinea 61 Hoge Raad 30 maart 2001
Een alinea uit Hoge Raad 30 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0804.
3.9 In rov. 2.13 van het tussenvonnis van 30 juli 1997 heeft de Rechtbank overwogen dat zij [eiser] zal toelaten tot het bewijs van een bedrag, groot ƒ 35.100,--, ter zake van het hem, [eiser], nog toekomende honorarium over de maanden juni tot en met oktober 1988 door [betrokkene B] als getuige te doen horen. In rov. 9.6 van het eindvonnis van 13 januari 1999 heeft de Rechtbank geoordeeld dat het geen zin heeft [eiser] toe te laten om [betrokkene B] als getuige voor te brengen, nu [betrokkene B] [eiser] bij brief heeft bericht dat hij zich de feiten van weleer niet meer herinnert.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5dd6c9599096e4d98e145194660f28e5a807a58eb42dc0db4681b00ce4b3d7b6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5dd6c9599096e4d98e145194660f28e5a807a58eb42dc0db4681b00ce4b3d7b6, en de alinea staat in dat document op bytes 24006 tot 24608.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/5dd6c9599096e4d98e145194660f28e5a807a58eb42dc0db4681b00ce4b3d7b6 | shasum -a 256