Citaat | Hoge Raad 30 maart 2001

Alinea 63 Hoge Raad 30 maart 2001

Een alinea uit Hoge Raad 30 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0804.

De Rechtbank heeft met haar oordeel dat het geen zin had [betrokkene B] als getuige te doen horen, blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien de waarde van een getuigenverklaring eerst behoort te worden beoordeeld na het afleggen van die verklaring en een bewijsaanbod niet mag worden gepasseerd op grond van een prognose omtrent die waarde (HR 20 maart 1998, nr. 9004 (R 97/069), NJ 1999, 693). De klacht slaagt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5dd6c9599096e4d98e145194660f28e5a807a58eb42dc0db4681b00ce4b3d7b6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5dd6c9599096e4d98e145194660f28e5a807a58eb42dc0db4681b00ce4b3d7b6, en de alinea staat in dat document op bytes 24779 tot 25220.