Citaat | Hoge Raad 20 april 2001

Alinea 48 Hoge Raad 20 april 2001

Een alinea uit Hoge Raad 20 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1201.

3.9 Bij de beoordeling van de onderdelen 2,3 en 6 moet worden vooropgesteld dat de beantwoording door het Hof van de vraag of de erflater ten tijde van het opmaken van zijn testament al dan niet in staat was zijn wil te bepalen en aan die wil adequaat uitdrukking te geven, berust op aan het Hof voorbehouden waarderingen van feitelijke aard. Het Hof heeft blijkens zijn rov. 4.4.1 tot en met 4.4.6 de in de onderhavige onderdelen bedoelde stellingen van [eiser] onder ogen gezien en de ter onderbouwing van deze stellingen overgelegde gegevens in zijn oordeel betrokken. Het Hof heeft toereikend gemotiveerd waarom daaruit naar zijn oordeel, ondanks het ook door het Hof als vaststaand aangenomen feit dat de communicatie met de erflater (zeer) moeizaam verliep, niet de conclusie kan worden getrokken dat de erflater niet in staat was zijn wil te bepalen of tot uitdrukking te brengen. Het Hof heeft voorts belang gehecht aan het feit dat, nadat (i) de erflater voor de eerste maal op 25 augustus 1993 met de notaris had gesproken en zijn wil kenbaar had gemaakt, en (ii) de notaris op basis daarvan een testament had geconcipieerd en dat op 8 september 1993 aan de erflater had toegezonden, deze tot dit testament op 24 mei 1994 was verleden, de gelegenheid heeft gehad om terug te komen van zijn wilsverklaring zoals deze in het concept was neergelegd. Er is, aldus het Hof, evenwel geen aanwijzing dat de erflater zich niet met het testament heeft kunnen verenigen, ofschoon moet worden aangenomen dat hij daarvan had kunnen doen blijken, zeker in de periode vanaf december 1993 en op 24 mei 1994. In dit verband heeft het Hof mede belang gehecht aan hetgeen de notaris omtrent het opmaken van het testament heeft verklaard. Het Hof heeft uitdrukkelijk in samenhang met zijn oordeel over alle gegevens in onderling verband overwogen dat in het rapport van Van Strien geen grond kon worden gevonden anders te oordelen. Deze oordelen van het Hof zijn, in aanmerking genomen dat, zoals hierna zal blijken, onderdeel 5 ongegrond is, niet onbegrijpelijk en behoefden geen nadere motivering. De onderdelen 2, 3 en 6 falen derhalve.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b1babb08286508355a57ee2a9c7255149be1fa21e2efb7295814aaf80c14d6ae. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b1babb08286508355a57ee2a9c7255149be1fa21e2efb7295814aaf80c14d6ae, en de alinea staat in dat document op bytes 17499 tot 19642.