Citaat | Hoge Raad 20 april 2001
Alinea 166 Hoge Raad 20 april 2001
Een alinea uit Hoge Raad 20 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1207.
6.6 Uit het bovenstaande blijkt de heffingsrechtelijke (en niet invorderingsrechtelijke, laat staan civielrechtelijke) oorsprong van de aansprakelijkheidsbepalingen. In het heffingsrecht werd en wordt het vestigingsbegrip beheerst door de materiële woonplaatsbepalingen van art. 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en van de bilaterale belastingverdragen (art. 4 van het OESO-Modelbelastingverdrag). Slechts voor naar Nederlands recht opgerichte vennootschappen bestaan vestigingsplaatsficties in de nationale heffingswetten (die Nederland als vestigingsplaats aanwijzen), zij het dat die weer worden opzij gezet door de daarmee onverenigbare materiële vestigingsplaatsbegrippen in belastingverdragen. Het materiële vestigingsplaatsbegrip van art. 4 AWR ("naar de omstandigheden beoordeeld") geldt in de heffingspraktijk vooral voor naar niet-Nederlands recht opgerichte lichamen zoals Home-Choice Inc.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5ca9a65061cbb91a0cf84269982587947ccdabb061fadc43435b6ed69e1271b5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5ca9a65061cbb91a0cf84269982587947ccdabb061fadc43435b6ed69e1271b5, en de alinea staat in dat document op bytes 51222 tot 52156.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/5ca9a65061cbb91a0cf84269982587947ccdabb061fadc43435b6ed69e1271b5 | shasum -a 256