Citaat | Hoge Raad 27 april 2001

Alinea 40 Hoge Raad 27 april 2001

Een alinea uit Hoge Raad 27 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1336.

Indien de mededeling als bedoeld in art. 36 lid 2 in verbinding met art. 7 van het Uitvoeringsbesluit is gedaan, leidt het vervolgens niet op verzoek verstrekken van inlichtingen en overleggen van stukken, als bedoeld in art. 36 lid 2 in verbinding met art. 8 van het Uitvoeringsbesluit slechts dan tot de in art. 36 lid 4 bedoelde consequenties voor de bewijslastverdeling, indien de ontvanger bij zijn desbetreffende verzoek degene die de mededeling heeft gedaan op juiste wijze heeft voorgelicht omtrent zijn juridische positie en tevens aannemelijk is dat de gevraagde nadere inlichtingen van essentieel belang zijn voor het beraad van de ontvanger omtrent door hem te treffen maatregelen (rov. 4.2). Commit heeft op 30 januari 1995 voldaan aan de op haar rustende meldingsplicht inzake haar betalingsonmacht betreffende de over het vierde kwartaal 1994 verschuldigde loonheffing en omzetbelasting. Daaraan doet niet af dat zij niet heeft voldaan aan het bij brief van 7 februari 1995 door de Ontvanger gedane verzoek om vóór 25 februari 1995 nadere stukken over te leggen (rov. 4.3). Vervolgens dient te worden onderzocht of de Ontvanger Commit bij dit verzoek op de juiste wijze heeft voorgelicht omtrent haar juridische positie en of aannemelijk is dat de gevraagde nadere inlichtingen van essentieel belang waren voor het beraad van de Ontvanger omtrent door hem te nemen maatregelen (rov. 4.4). In strijd met de wettelijke systematiek heeft de Ontvanger in zijn brief van 7 februari 1995 de door Commit gedane mededeling van betalingsonmacht als "voorshands tijdig" aangemerkt. Ook is Commit in die brief niet met zoveel woorden gewezen op de verplichtingen van art. 8 en 9 van het Uitvoeringsbesluit en de consequenties van het niet nakomen daarvan (rov. 4.5). Zelfs indien zou moeten worden geoordeeld dat de Ontvanger, niettegenstaande het in rov. 4.5 overwogene, Commit met de brief van 7 februari 1995 voldoende heeft voorgelicht omtrent de verhouding tussen meldingsplicht enerzijds en de verplichting tot het verstrekken van nadere inlichtingen anderzijds en omtrent de daaraan te verbinden gevolgen, dan nog komt de Ontvanger, nu hij geacht moet worden ten tijde van de ontvangst van de melding van de betalingsonmacht betreffende het vierde kwartaal 1994 op de hoogte te zijn geweest van de voor hem in het kader van art. 36 relevante omstandigheden, geen beroep toe op de in dat artikel neergelegde bewijslastverdeling (rov. 4.6.). Nu de Ontvanger zich voor de door hem gestelde aansprakelijkheid van OCG uitsluitend heeft beroepen op het niet voldoen aan de meldingsplicht, brengt het vorenstaande mee dat de grondslag aan de vordering is komen te ontvallen voorzover deze betrekking heeft op de loonheffing- en omzetbelastingschuld van Commit over het vierde kwartaal van 1994 (rov. 4.8).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/261e9e933dcf2d4defaa429be99ee6033a8760d3abfcd6488b3fdba2104de71a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 261e9e933dcf2d4defaa429be99ee6033a8760d3abfcd6488b3fdba2104de71a, en de alinea staat in dat document op bytes 10875 tot 13712.