Citaat | Hoge Raad 27 april 2001

Alinea 41 Hoge Raad 27 april 2001

Een alinea uit Hoge Raad 27 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1336.

3.4.1 Onderdeel 1 keert zich tegen 's Hofs oordeel (rov. 4.2) dat het niet op verzoek verstrekken van inlichtingen en overleggen van stukken, als bedoeld in art. 36 lid 2 in verbinding met art. 8 van het Uitvoerings- besluit, slechts dan tot de in art. 36 lid 4 bedoelde consequenties voor de bewijslastverdeling leidt, ingeval de ontvanger bij zijn desbetreffende verzoek a) degene die de mededeling heeft gedaan op juiste wijze heeft voorgelicht omtrent zijn juridische positie, en b) tevens aannemelijk is dat de gevraagde nadere inlichtingen van essentieel belang zijn voor het beraad van de ontvanger omtrent door hem te treffen maatregelen. Dit oordeel geeft, naar het onderdeel betoogt, blijk van een onjuiste rechtsopvatting omdat het Hof aldus eisen stelt aan de wijze waarop de ontvanger het verzoek tot het verstrekken van nadere inlichtingen moet doen en omtrent de aard van de gevraagde inlichtingen, die niet berusten op of voortvloeien uit de tekst onderscheidenlijk het systeem van de Invorderingswet 1990 en het Uitvoeringsbesluit en noch redelijk zijn noch beantwoorden aan doel en strekking van art. 36 Iw 1990 in verbinding met de art. 7 - 9 van het Uitvoeringsbesluit.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/261e9e933dcf2d4defaa429be99ee6033a8760d3abfcd6488b3fdba2104de71a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 261e9e933dcf2d4defaa429be99ee6033a8760d3abfcd6488b3fdba2104de71a, en de alinea staat in dat document op bytes 13750 tot 14955.