Citaat | Hoge Raad 4 mei 2001

Alinea 43 Hoge Raad 4 mei 2001

Een alinea uit Hoge Raad 4 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1429.

3.4.2 De eerste klacht van het onderdeel strekt met een beroep op art. 36, § 5, lid 18, van de Leidraad Invordering 1990 (zoals die bepaling luidde in de hier aan de orde zijnde periode), geciteerd in de cassatiedagvaarding en in de conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 4.2.3.2, allereerst kennelijk ten betoge dat het Hof heeft miskend dat de Ontvanger door in zijn brief van 14 juni 1991 om nadere informatie te vragen heeft beslist dat de melding door [eiser] in zijn brief van 17 mei 1991 van betalingsonmacht tijdig, maar onvolledig is gedaan. Dit betoog treft geen doel. In de verwerping door het Hof van grief 4 ligt besloten het oordeel dat de brief van de Ontvanger van 14 juni 1991 (hiervóór vermeld in 3.1 onder (vi)) niet mede de beschikking inhield dat de melding van betalingsonmacht tijdig is gedaan. Dit op uitleg van voormelde brief berustende oordeel dat aan het Hof als rechter die over de feiten oordeelt, is voorbehouden, is niet onbegrijpelijk.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/72ee75c3116dbd6137e8b14a32b443f7dec00f8dac74b29dfb39bfc7b820795c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 72ee75c3116dbd6137e8b14a32b443f7dec00f8dac74b29dfb39bfc7b820795c, en de alinea staat in dat document op bytes 11914 tot 12919.