Citaat | Hoge Raad 18 september 2001

Alinea 116 Hoge Raad 18 september 2001

Een alinea uit Hoge Raad 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1471.

4.6. Daaruit volgt enerzijds dat op de feiten die onderwerp van het beklag vormen, de ten tijde van het begaan van die feiten geldende bepalingen van het Wetboek van Strafrecht mogen worden toegepast voorzover die feiten daarin destijds waren voorzien en strafbaar gesteld, doch anderzijds dat art. 1 en 2 Uitvoeringswet folteringverdrag op die feiten niet mogen worden toegepast, aangezien die wet eerst op 20 januari 1989 in werking is getreden. Uit het voorgaande volgt tevens dat voorzover de verplichting tot strafbaarverklaring met terugwerkende kracht zou voortvloeien uit ongeschreven volkenrecht, het de rechter niet vrijstaat de Uitvoeringswet folteringverdrag - die daarin niet voorziet - buiten toepassing te laten wegens strijd met dat ongeschreven volkenrecht. Blijkens de onder 4.4 weergegeven geschiedenis van de totstandkoming van art. 94 Grondwet heeft de grondwetgever immers toepassing van ongeschreven volkenrecht indien deze toepassing zou botsen met nationale wettelijke voorschriften, niet willen aanvaarden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/425c81ad7552fe2bd040c903130c6699be0d9f83a6b8bb970ec52f3af513de19. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 425c81ad7552fe2bd040c903130c6699be0d9f83a6b8bb970ec52f3af513de19, en de alinea staat in dat document op bytes 36373 tot 37424.