Citaat | Hoge Raad 9 mei 2001
Alinea 12 Hoge Raad 9 mei 2001
Een alinea uit Hoge Raad 9 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1501.
3.3. In zijn verzoek voert belanghebbende aan dat als grond voor herziening moet worden aangemerkt het arrest van de Tweede Kamer van de Hoge Raad van 6 juli 1999, nr. 110.064, dan wel het naar aanleiding daarvan gewezen arrest van de strafkamer van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 31 maart 2000, nr. 2200.2260.99. In zijn arrest van 6 juli 1999 heeft de Hoge Raad onder meer geoordeeld dat het enkele op een depositorekening van een derde reserveren van het teveel betaalde bedrag dan wel het wegzetten van een bedrag gelijk aan het teveel betaalde bedrag op een rekening in Zwitserland slechts verduistering in de zin van artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht oplevert indien de onmogelijkheid of aanmerkelijke bemoeilijking van de teruggave het gevolg van die handelingen is. De strafkamer van het Gerechtshof heeft vervolgens geoordeeld dat de aan belanghebbende tenlastegelegde verduistering niet wettig en overtuigend is bewezen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f68bdb39b5e1660d7b9c78f960c8f5e39cd6ee5a84c31c7d5d58d1cab7df065d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f68bdb39b5e1660d7b9c78f960c8f5e39cd6ee5a84c31c7d5d58d1cab7df065d, en de alinea staat in dat document op bytes 6174 tot 7133.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f68bdb39b5e1660d7b9c78f960c8f5e39cd6ee5a84c31c7d5d58d1cab7df065d | shasum -a 256