Citaat | Hoge Raad 9 mei 2001

Alinea 13 Hoge Raad 9 mei 2001

Een alinea uit Hoge Raad 9 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1501.

3.4. Dit een en ander kan geen grond tot herziening opleveren. Het in 3.3 vermelde arrest van de Hoge Raad was de belastingkamer van de Hoge Raad al ambtshalve bekend bij de vaststelling van het arrest waarop het verzoek betrekking heeft en kan reeds daarom niet worden aangemerkt als een feit of omstandigheid in de zin van artikel 8:88 van de Wet. Het in 3.3 vermelde arrest van de strafkamer van het Gerechtshof dateert van ná de uitspraak waarop het verzoek betrekking heeft en kan daarom evenmin dienen als feit of omstandigheid in de zin van de evenvermelde bepaling. Opmerking verdient voorts dat de aan het verzoek tot herziening ten grondslag liggende opvatting dat het arrest van de belastingkamer niet in overeenstemming is te brengen met het arrest van de strafkamer van het Gerechtshof, onjuist is. De omstandigheid immers dat in een strafzaak verduistering niet bewezen is verklaard, staat op zichzelf niet eraan in de weg dat een belastingrechter oordeelt dat een voordeel uit niet in dienstbetrekking verrichte arbeid is genoten.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f68bdb39b5e1660d7b9c78f960c8f5e39cd6ee5a84c31c7d5d58d1cab7df065d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f68bdb39b5e1660d7b9c78f960c8f5e39cd6ee5a84c31c7d5d58d1cab7df065d, en de alinea staat in dat document op bytes 7153 tot 8212.